DOOR RIK
Het was een lange nacht. Een erg lange nacht. Mijn hersenen staan op non-actief en mijn ledematen bungelen inspiratieloos langs mijn lichaam. Struikelend over mijn eigen benen probeer ik me een weg te banen door Utrecht Centraal. Het is tijd om naar huis te gaan.
Mijn geel-blauwe taxi staat geparkeerd op perron 15. Keurig op tijd, voor de verandering. Koninginnedag heeft door het land geraasd; het perron is bezaaid met oranje snippers en de stationsklok draagt een oranje boa. Door de veren heen zie ik dat het vijf over drie is. Nog drie minuten. Slaapdronken -dat niet alleen- strompel ik de trein in. De normaal zo lelijke paarse fauteuils zien er vandaag aanlokkelijk uit. Ik onderbreek de vervelende piep die door mijn oren suist. ‘Plof’.
Tegen beter weten in probeer ik mijn stuk gedanste lichaam op te kalefateren. Mijn noodpakket bestaat uit vruchtensappen en een natte boterham. Het lichaam maakt al snel duidelijk er geen behoefte aan te hebben, want de fles die de vitamines bevat rolt na een slok of vijf al over de vloer van de coupĂ©. “Cadeautje voor de conducteur”, noem ik het maar.
Het is weinig druk in de trein en de mensen om me hebben klaarblijkelijk een soortgelijke nacht gehad. Dat is althans wat de groeven in hun gezichten me vertellen. De belichaming van deze gedachte bevindt zich een twee rijen verderop. Een naar whisky riekende man heeft zijn gezicht gerieflijk tegen een raam geplakt en zijn weggedraaide ogen zijn bloeddoorlopen. Weer iets verderop ligt een uitgeput koppeltje luid te snurken. De mond van de jongen wijd open, het hoofd van het meisje op zijn schouder.
Treinen met een kater is een drama, maar misschien valt het mee. De klok slaat acht over drie. De trein vertrekt en ik ben weg. Diep in gedachten verzonken terwijl mijn lichaam naar het zuiden hobbelt. Wat volgt is een zwart gat van anderhalf uur. Ik ben weg.
